4.4.9Statistieken aansluitend bij het Regional Innovation Scoreboard

Vanuit het besef dat innovatie en economische groei niet altijd gelijkmatig verspreid zijn over de diverse regio’s van een land, publiceert Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Commissie, niet alleen innovatiestatistieken voor haar lidstaten (European Innovation Scoreboard, afgekort EIS), maar ook voor diverse regio’s binnen die lidstaten (Regional Innovation Scoreboard, afgekort RIS). Voor België bevat het regionale verslag innovatiestatistieken voor de drie gewesten: Brussel, Vlaanderen, en Wallonië.

De Regional Innovation Index (RII) in RIS wordt samengesteld op basis van 17 indicatoren. Zes van deze indicatoren zijn afgeleid uit data afkomstig van de innovatievragenlijst (CIS). Hieronder bespreken wij de resultaten voor Vlaanderen voor twee van deze indicatoren, bekomen op basis van de Innovatievragenlijst 2017. Wij bespreken ook de resultaten van een derde indicator die eveneens gebaseerd is op resultaten bekomen met de Innovatievragenlijst 2017, en die dichtbij een derde indicator liggen die opgenomen is in RIS. Wij geven aan waarom wij kozen voor dit derde resultaat.

Niet-O&O-activieve KMO's met innovatieactiviteiten

Eén van de indicatoren opgenomen in RIS betreft de uitgaven gemaakt voor innovatieactiviteiten, uitgezonderd O&O, door KMO’s, uitgezet als percentage ten opzichte van de omzet van KMO’s in het algemeen (zowel innovatoren als niet-innovatoren). Uit ervaring weten wij echter dat de meeste ondernemingen in hun administratie geen aparte cijfers bijhouden voor aankopen, uitgaven, en inkomsten van innovaties. Bijgevolg laten heel wat ondernemingen de vragen naar kosten gemaakt voor machines en apparatuur, aankoop van patenten, training, marketing, en andere voorbereidende activiteiten voor innovaties oningevuld (iets meer dan één op vier van de antwoordende ondernemingen laat één of meer vragen naar uitgaven voor innovatieactiviteiten open) of geven ze ruwe schattingen, die nogal kunnen variëren naargelang wie de vragenlijst invult. In het verleden heeft men in een werkgroep bij Eurostat al vaker geprobeerd om de vraag naar gemaakte onkosten voor innovatieactiviteiten te verbeteren. Tot op heden zijn deze pogingen evenwel niet succesvol gebleken.

Wegens de beperkte kwaliteit van de uitgavengegevens geven wij hier weer in welke mate KMO’s al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties hebben, en in welke mate deze vergezeld gaan van O&O-activiteiten. Figuur 15 geeft aan wat in de laatste drie jaargangen van de innovatievragenlijst (1) het aandeel O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties was, (2) het aandeel niet-O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties was, en (3) het aandeel KMO’s zonder product- en/of procesinnovatieactiviteiten (en dus ook zonder O&O) was. Wij zien dat gaande van 2012, over 2014, naar 2016, het aandeel KMO’s met al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties stijgt, zowel zij die dat deden met O&O-activiteiten, als zij die dat deden zonder O&O-activiteiten. Het aandeel O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties stijgt van 28% in 2012, tot 35% in 2014, en 37% in 2016. Het aandeel niet-O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- en/of procesinnovaties gaat van 20% in 2012, over 21% in 2014, naar 24% in 2016. Het aandeel KMO’s zonder product- of procesinnovatieactiviteiten (en dus ook zonder O&O) daalt van 52% in 2012, over 44% in 2014, naar 39% in 2016.  Voor deze indicator kunnen wij helaas niet vergelijken met andere regio’s, gezien Eurostat hiervoor geen gegevens publiceert.

Figuur 15. Aanwezigheid van product- of procesinnovatieactiviteiten, met of zonder O&O, bij KMO’s

O&O-actieve KMO'sniet-O&O-actieve KMO'sKMO's zonder product- of procesinnovaties0%10%20%30%40%50%60%70%80%90%100%Percentage KMO's2012201420160102030405060708090100201220142016KMO's zonder pr…: 52% O&O-actieve KMO'sniet-O&O-actieve KMO'sKMO's zonder product- of procesinnovaties0%20%40%60%80%100%Percentage KMO's201220142016020406080100201220142016 O&O-actieve KMO'sniet-O&O-actieve KMO'sKMO's zonder product- of procesinnovaties0%20%40%60%80%100%Percentage KMO's201220142016020406080100201220142016

KMO's met in-house innovatieactiviteiten

Een andere indicator opgenomen in RIS betreft het aandeel KMO’s dat innovaties in-house heeft ontwikkeld (mogelijks in samenwerking met anderen) in de totale populatie van KMO’s (zowel innovatoren als niet-innovatoren). In Vlaanderen was dit aandeel in 2016 39%. In Figuur 16, overgenomen uit RIS 2019, zien wij dat Vlaanderen daarmee, samen met Wallonië, in de groep van high performers zit, de hoogste groep, meer bepaald in het onderste segment ervan. In 2014 was dit aandeel 43%, waarmee Vlaanderen terecht kwam in het bovenste segment van de high performers. In 2012 was dit aandeel 37% en kwam Vlaanderen daarmee in de groep van high performers. Voor CIS-data van het referentiejaar 2012 werd nog geen onderscheid gemaakt tussen het bovenste, middelste, en onderste segment binnen de grotere vier groepen die men onderscheidt (low performers, moderate performers, strong performers, en high performers). Wij zien dus dat, ook al schommelt het aandeel in-house innoverende KMO’s in de totale populatie van KMO’s licht, Vlaanderen in de laatste drie CIS-bevragingen steeds tot de topgroep van high performers behoort op dit vlak. Het feit dat het aandeel in 2016 licht gedaald was in vergelijking met in 2014 kan te maken hebben met het feit dat wij in CIS 2017 door het herziene design van onze vragenlijst relatief meer “minder intens innoverende” ondernemingen gevat hebben, d.w.z. ondernemingen die in relatief beperkte mate aan innovatie deden.

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 16. KMO’s met in-house innovatieactiviteiten als percentage van het totale aantal KMO’s

KMO's met samenwerkingsverbanden voor innovatie

Een andere indicator opgenomen in RIS betreft het aandeel KMO’s met samenwerkingsverbanden voor innovatie in de totale populatie van KMO’s (zowel innovatoren als niet-innovatoren). In Vlaanderen is dit aandeel in 2016 24%. In Figuur 17, overgenomen uit RIS 2019, zien wij dat Vlaanderen daarmee in de groep van high performers zit, de hoogste groep, meer bepaald in het bovenste segment ervan. In 2014 was dit aandeel 31%, waarmee Vlaanderen eveneens terecht kwam in het bovenste segment van de high performers. In 2012 was dit aandeel 25% en kwam Vlaanderen daarmee eveneens in de groep van high performers. Voor CIS-data van het referentiejaar 2012 werd nog geen onderscheid gemaakt tussen het bovenste, middelste, en onderste segment binnen de grotere vier groepen die men onderscheidt (low performers, moderate performers, strong performers, en high performers). Wij zien dus dat, ook al schommelt het aandeel KMO’s met samenwerkingsverbanden voor innovatie in de totale populatie van KMO’s enigszins, Vlaanderen in de laatste drie CIS-bevragingen steeds tot de topgroep van high performers behoort op dit vlak. Het feit dat het aandeel in 2016 licht gedaald was in vergelijking met in 2014 kan te maken hebben met het feit dat wij in CIS 2017 door het herziene design van onze vragenlijst relatief meer “minder intens innoverende” ondernemingen gevat hebben, d.w.z. ondernemingen die in relatief beperkte mate aan innovatie deden.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 17. KMO’s met samenwerkingsverbanden voor innovatie als percentage van het totale aantal KMO’s