7.3.2Methodologie

De prioriteiten uit VRWI-advies 224 zijn gebaseerd op een analyse die als doel had:

  1. De in Vlaanderen aanwezige technologische expertise voor ruimte(vaart)(onderzoek) in kaart te brengen en hierin sterktes, niches en opportuniteiten te detecteren, zodat Vlaanderen hierop kan inzetten, onder meer in het kader van ESA.
  2. Een ‘matching’ uit te voeren tussen de geïdentificeerde Vlaamse sterktes en de optionele programma’s die ESA zou voorstellen op de ministeriële conferentie van december 2016. Voor elk van de 25 technologiedomeinen uit de ESA-technology tree (zie verder) waarbinnen sterktes werden geïdentificeerd, werd nagegaan in welk van de ESA-programma’s deze aan bod kunnen komen/een rol kunnen spelen. 
  3. Omdat uiteindelijk niet alleen de technologische excellentie bepalend is om te slagen, werd ten slotte de toegankelijkheid van de ESA-programma’s en de mogelijke ‘readiness/commitment’ van de actoren in rekening gebracht.

Terwijl VRWI-advies 224 vooral focust op het ‘matchen’ van deze resultaten aan de optionele ESA-programma’s met het oog op de ESA-ministerraad in december 2016, zoomt voorliggende bijdrage in op de gedetecteerde sterktes met het oog op potentieel voor de toekomst.

Inventarisatie

De eerste stap in de oefening was een inventarisatie van het technologisch ruimtevaartpotentieel in Vlaanderen aan de hand van een gerichte bevraging van relevante actoren (Purposive sampling). 

Het verzamelen van de gegevens gebeurde aan de hand van een bevragingssjabloon, gebaseerd op de ESA-technology tree1. De ESA-technology tree is een classificatiesysteem van ESA waarin alle technologische knowhow, die beschikbaar of bekend is binnen ESA, gestructureerd is opgelijst. De ESA-technology tree is opgebouwd volgens drie niveaus. Het hoogste niveau bevat 25 - eerder overkoepelende - Technologie Domeinen (TDs), bijv. ‘Onboard Data Systems’. Ter informatie is in bijlage 2 de korte omschrijving volgens ESA van deze TDs overgenomen. De TDs zijn verder onderverdeeld in 101 Technologie Subdomeinen (TSs). Dit zijn verschillende verwante/complementaire technologieën die samen de TDs uitmaken. Zo is het domein TD ‘Onboard Data Systems’ onderverdeeld in drie subdomeinen nl. ‘Payload Data Processing’, ‘Onboard Data Management’ en ‘Microelectronics for Digital and Analogue Applications’. De TSs zijn op hun beurt verder opgedeeld in Technology Groups (TGs), 320 in totaal, die toelaten de onderliggende (basis)technologieën te identificeren. Zo bestaat het subdomein TS ‘Payload Data Processing’ uit drie technologiegroepen TGs: ‘System Technologies for Payload Data Processing’, ‘Hardware Technologies for Payload Data Processing’ en ‘Software Technologies for Payload Data Processing’. Voor een beschrijving van de technologiesubdomeinen en -groepen verwijzen we naar: http://www.esa.int/spaceinimages/Images/2014/02/STM-277_2nd_ed

De respondenten werden verzocht om in het bevragingssjabloon die technologiegroepen uit de ESA-technology tree aan te duiden waarin zij actief zijn. Zoals zoveel classificatiesystemen is de ESA-technology tree een tijdsopname, die onderhevig is aan evoluties in het veld. Daardoor omvat de hier gebruikte – weliswaar meest recente – versie van de ESA-technology tree wellicht niet alle huidige relevante technologieën. De respondenten konden daarom de activiteiten die zij niet konden terugvinden in de ESA-technology tree, via een extra lijn toevoegen. Dergelijke aanvullingen werden door de werkgroep gevalideerd.

Daarnaast werden de deelnemers ook verzocht hun mate van expertise voor elk van hun activiteiten aan te geven met een score van 1 tot 5. Hierbij staat 1 voor ‘beperkte expertise’, 3 voor ‘leider in Vlaanderen/België’ en 5 voor ‘internationale topexpertise’.

Populatie

Bij de bevraging waren 26 actoren betrokken, die voor de analyse in 5 grote categorieën werden onderverdeeld: 

  • Universiteiten
  • Andere onderzoeksinstellingen
  • SOCs
  • Middelgrote en grote ondernemingen
  • Kleine ondernemingen

Die categorieën stemmen ruwweg overeen met verschillende posities in de waardeketen. De vijf Vlaamse universiteiten, het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) en het Von Karman Instituut (VKI) (samen aangeduid met ‘andere onderzoeksinstellingen’), vier van de toenmalige2 vijf Strategische Onderzoekscentra (SOCs) (IMEC, VITO, iMinds en Flanders’ Make), twaalf grote en middelgrote ondernemingen en drie kleine ondernemingen namen deel aan de bevraging. Omwille van ‘privacy’ redenen wordt de naam van de bedrijven niet meegegeven. 

De meeste van de respondenten zijn actief in de ruimtevaartsector ‘in enge zin’ (en ook bij ESA). Om een gedragen toekomstvisie te kunnen uittekenen, zijn echter ook technologieën/actoren relevant die nu nog geen rechtstreeks verband hebben met ruimtevaart, maar in de toekomst belangrijker kunnen/zullen worden voor de ruimtevaart (bijv. 3D printing; Flanders’ Make). Verder is het de bedoeling niet enkel activiteiten in het ruimtevaartsegment zelf (upstream) te capteren, maar ook de dienstverlening via bijv. door satelliet gegenereerde data (downstream) mee te nemen.

Identificeren Vlaamse sterktes

De verzamelde gegevens werden vervolgens op volgende parameters onderzocht:

  1. Het aantal deelnames3 per technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomein.

    Omdat het aantal deelnames niet enkel bepaald wordt door het aantal actoren, maar ook door de structuur van bijv. het technologiesubdomein (het aantal technologiegroepen per technologiesubdomein) werd zowel het totaal aantal deelnames als het genormaliseerde aantal deelnames onderzocht bij de technologiesubdomeinen en technologiedomeinen.

  2. Het aantal actoren per technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomein (totaal en opgesplitst per soort actor, (zie populatie)).

    In tegenstelling tot boven wordt elke actor maar eenmaal in rekening gebracht per technologiesubdomein/technologiedomein, ongeacht het feit of deze in meerdere technologiegroepen actief is.

  3. De expertisescore per technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomeinen.

    Om dezelfde reden als boven, werd zowel de totaalscore als de genormaliseerde score berekend voor de technologiesubdomeinen en technologiedomeinen. Daarnaast werd ook een gemiddelde score per technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomeinen bepaald.

  4. Een ‘score 5’ per technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomein.

    Hiertoe werd nagegaan voor welke technologiegroep/technologie-subdomein/technologiedomein de deelnemende actoren op dit moment voor de opgegeven expertise een score 5 (internationale toppositie) opgegeven hebben.

De eerste twee parameters geven een beeld van de Vlaamse activiteit (kritische massa) in elke technologiegroep/technologiesubdomein/technologiedomein. De tweede parameter geeft bijkomend inzicht in de spreiding van de actoren over de ‘innovatieketen’ en eventuele mogelijkheden voor samenwerking of kruisbestuiving. De laatste twee parameters geven de mate van Vlaamse expertise in de technologiegroepen/technologiesubdomeinen/technologie-domeinen weer. Een ‘score 5’ is meestal enkel zichtbaar voor de technologiegroepen.

1 Esa technology tree- versie 3.0 (oktober 2013)

Inmiddels zijn Imec en iMinds samengegaan tot Imec

Aantal deelnames = hoeveel keer bijv. een technologiegroep werd aangekruist door de respondenten