1Innovatiehub Vlaanderen

Door Koenraad Debackere (KU Leuven) en Reinhilde Veugelers (KU Leuven).

 

Sinds het baanbrekend werken van economisten zoals Joseph Schumpeter en Robert Solow weten we hoe belangrijk innovatie is in het economisch gebeuren. Uiteraard zijn we steeds vernieuwend bezig geweest. Maar het was wachten tot Vannevar Bush, in zijn uitdagend rapport voor president Eisenhower, Science, the Endless Frontier (1945), het belang van onderzoek voor de groei en ontwikkeling van een land onder de aandacht bracht en daardoor het begin uittekende van het moderne wetenschapsbeleid. Alhoewel wetenschap, technologie en innovatie niet steeds in een logisch-causaal pad van voortgang kunnen worden gezien, toch is hun samenhang onmiskenbaar en heeft deze de laatste decennia geleid tot het uitdenken, het uittekenen en het uitvoeren van een doordacht wetenschaps- en innovatiebeleid in landen en regio’s waar ook ter wereld.

De laatste twintig jaar heeft het gestructureerd wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid (of WTI-beleid) dan ook zowat in de ganse Westerse wereld een sterke vlucht genomen. Dit WTI-beleid staat ook al lang niet meer los van het economisch beleid (E). Vandaar het nu vaak gebruikte acroniem “WTIE”-beleid. Waarbij de schaal van en de onderlinge samenwerking tussen de betrokken actoren uit de zogenaamde Triple Helix (i.e. de academische wereld, het bedrijfsleven en de overheid) steeds zijn toegenomen. Niet enkel bij economische grootmachten zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en meer recent ook China, maar ook bij de kleinere dynamische open economieën zoals Denemarken, Finland, Nederland, Zweden, Zwitserland en uiteraard ook bij ons in Vlaanderen. Deze Triple Helix is de laatste tijd zelfs uitgegroeid tot een Quadruple Helix (waarbij ook “civil society” als actor wordt meegenomen), en zelfs een Multiple Helix of mHelix om te wijzen op de veelheid van actoren die vandaag een innovatieproces beïnvloeden en succesvol maken (bv. financiers, ziekenhuizen, patiëntenorganisaties, consumentenorganisaties).

WTI-beleid in Vlaanderen: enkele basisgegevens       

Kijken we naar Vlaanderen, dan kunnen we stellen dat de Vlaamse overheid sinds 1995 een uitgesproken WTI-stimuleringsbeleid gevoerd heeft. De zogenaamde “inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet, heeft ervoor gezorgd dat de Vlaamse overheidskredieten voor Onderzoek en Ontwikkeling (verder afgekort als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat Vlaanderen anno 2015 een ratio van 2,69% (op Gewestniveau) van het Bruto Binnenlands Product per Regio besteedt aan O&O-activiteiten, die naast onderzoek en ontwikkeling uiteraard ook een belangrijke innovatiecomponent bevatten. Daarmee scoort Vlaanderen ver boven het Europees gemiddelde. Aan de kant van de overheid merken we een continue en consistente toename van de geleverde inspanningen. Aan de kant van de bedrijfsuitgaven voor O&O is de trend de laatste jaren eveneens duidelijk stijgend.

De Vlaamse overheid is erin geslaagd haar inspanningen op peil te houden, al was de verdere groei niet steeds even evident gelet op de economische en financiële uitdagingen waarmee ook de Vlaamse regio geconfronteerd werd. Na de (beperkte) besparingen van 2015 en 2016 wordt vanaf 2017 resoluut aangeknoopt met het groeipad uit het verleden waarbij de Vlaamse overheid in 2017 een historische, recurrente injectie van €195 miljoen aan publieke middelen voor O&O realiseert. Er blijven uiteraard nog extra-inspanningen te leveren op de weg naar de Europese 3% norm voor O&O, doch de Vlaamse overheid houdt duidelijk haar inzet vol.

Trends en aandachtspunten in het Vlaamse WTIE-beleid

Onderzoek, innovatie en welvaart zijn sleutelbegrippen geworden in het beleid van elk land of regio. Innovatie wordt daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd als de succesvolle transformatie van creativiteit en kennis in economische en maatschappelijke waarde. Innovatie is de centrale hefboom tot waardecreatie. Waar het economisch weefsel in het Westen zich tot bijna het eind van de vorige eeuw kon handhaven door te differentiëren op basis van productiviteit, kwaliteit en flexibiliteit, is dit vandaag zondermeer uitgesloten. Uiteraard zijn deze drie sleutelfactoren nog steeds van groot belang, doch het zijn nodige voorwaarden tot competitiviteit en groei geworden. Volstaan doen ze al een tijdje niet meer. Innovatie en internationalisatie zijn de echte welvaartsdifferentiatoren geworden. Vlaanderen heeft de laatste twintig jaar dan ook hard gewerkt aan het ondersteunen van deze transformatieprocessen.

Continu wordt terecht de kritische vraag gesteld of we, naar de toekomst toe, niet nog “beter” kunnen met ons WTI-beleid, dat ondertussen door de Vlaamse regering uitgebreid is tot een geïntegreerd WTIE-beleid. Dit “beter” kent een eenvoudig maar belangrijk bijkomend beoordelingscriterium: welke resultaten worden behaald? De tijd van “input-denken” is immers aan actualisatie toe: “impact-denken” moet nieuwe inzichten brengen die ons helpen WTIE-aandachtsgebieden en keuzes nog scherper te stellen.

Bij dit “impact-denken” staan zowel de economische als de maatschappelijke finaliteit van het WTIE-beleid centraal. Innovatietrajecten waarbij economische en maatschappelijke finaliteit elkaar versterken, bieden een sterke, positieve wissel op de toekomst van de regio. De nood om input en impact van het WTIE-beleid duidelijker en intenser te koppelen is de kern van het slim specialisatiebeleid dat vandaag op internationaal niveau meer en meer vorm krijgt (zie ook OESO, 2013, Report on Smart Specialisation).  Het Vlaamse WTIE-beleid heeft daartoe de volgende aandachtspunten en bouwblokken ontwikkeld.

  1. Het WTIE-beleid creëert, in lijn met de vaststellingen in 1945 gemaakt door Vannevar Bush, aanzienlijke ruimte voor “bottom-up” initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit het bedrijfsleven (eigen O&O-projecten) zelf ontstaan. Ze zijn de resultante van de inzichten en inzet van ondernemers en onderzoekers. Significante middelen zijn beschikbaar voor dergelijke “bottom-up” financiering via:

    • het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO, sinds 2016 ontstaan uit de fusie van het IWT en het Agentschap Ondernemen),
    • het FWO-Vlaanderen (dat sinds 2016 de activiteiten rond Strategisch Basisonderzoek, Toegepast Biomedisch Onderzoek en de Strategische Specialisatiebeurzen van het IWT integreert in haar werking, evenals de financiering van zware onderzoeksapparatuur door de voormalige Hercules Stichting),  en
    • het Bijzonder Onderzoeksfonds (het zogenaamde BOF) en het Industrieel Onderzoeksfonds (het zogenaamde IOF) voor en aan de universiteiten.

    Ze vormen een essentiële bouwsteen van wat slim specialisatiebeleid een “ondernemend zoekproces” (entrepreneurial discovery process) noemt.

  1. Het Vlaamse WTIE-beleid heeft op gezette tijdstippen de nood erkend om voor bepaalde, toekomstgerichte speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan middelen te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus meer “top-down” gerichte interventies die de vrijheidsgraden voor “bottom-up” onderzoek en ontwikkeling aanvullen, integreren en bundelen tot meer slagkracht met expliciet oog voor hun economische en maatschappelijke effecten of impact. Dit heeft geleid tot het bestaan van vier grote strategische onderzoekscentra (de zogenaamde SOC’s): (1) IMEC (nano-elektronica en ICT; sinds 2016 gefuseerd met iMinds), (2) VITO (technologisch onderzoek), (3) VIB (biotechnologie) en (4) Flanders’ Make (maakindustrie en industrie 4.0, in 2014 ontstaan uit de fusie van FMTC en Flanders’ Drive). Deze concentratie is nagenoeg steeds het gevolg geweest van succesvolle “bottom-up” inspanningen én excellente resultaten door de onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële. Deze onderzoekscentra verwerven naast hun dotatie van de Vlaamse overheid, significante hoeveelheden middelen uit samenwerkingsprojecten met de industrie (nationaal en internationaal) en uit andere, competitieve financieringsbronnen (nationaal en internationaal).

    Sinds 2016 heeft de Vlaamse overheid een reeks complementaire, vraaggedreven innovatie-initiatieven heringericht dankzij de ontwikkeling van het clusterbeleid. Dit clusterbeleid telt twee grote componenten: (1) de IBN’s (Innovatieve Bedrijfsnetwerken) die heel gericht en toepassingsgericht een cluster van bedrijven ondersteunen met technologische vernieuwing en verbetering (bv. composieten, energie-efficiënte lichttechnologie etc.) en (2) de speerpuntclusters die een meer grootschalige, thematische innovatiewerking voor bedrijven in samenwerking met kennisinstellingen ondersteunen, en daarbij het ganse spectrum van strategisch basisonderzoek en coöperatief onderzoek tot collectief onderzoek afdekken.  

    Het clusterbeleid vervangt en stroomlijnt de vroegere competentiepolen en lichte structuren. Het betreft dus steeds sterk vraaggedreven, innovatiegerichte middelenconcentraties met als doel het bedrijfsweefsel maximaal te ondersteunen met kennistoepassingen op een specifiek maar toch voldoende breed, thematisch domein. Vandaag zijn er 5 speerpuntclusters actief op vlak van (1) Logistiek (transformatie van de vroegere lichte structuur, VIL), (2) Materialen (transformatie van de vroegere lichte structuur SIM), (3) duurzame Chemie (Catalisti, transformatie van de vroegere lichte structuur FISCH), (4) Energie (transformatie van het vroegere Smart Grids Flanders), en (5) Agrovoeding (transformatie van de vroegere lichte structuur Flanders’ Food). Een aantal lichte structuren werden stopgezet (bv. CMI) of geïntegreerd in een groter geheel zodat hun slagkracht kan toenemen (bv. VLAKWA in VITO, of nog, Flanders’ Inshape in Antwerp Management School).

    Daarenboven heeft de Vlaamse regering, vanuit haar transitiedenken, twee horizontale transitiegebieden geïdentificeerd en van de nodige, bijkomende financiering voorzien, met name Industrie 4.0 en Circulaire economie (Vlaanderen Circulair, waarin o.a. het vroegere Plan C en het Vlaams Materialenprogramma geïntegreerd werden, met OVAM als gastheer). 

    Door die verschillende acties werd het landschap van vraaggedreven innovatie-instrumenten vanuit de Vlaamse overheid eenvoudiger, transparanter en meer gestroomlijnd.

  2. De Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de publieke sector als uit de private sector, hebben ruim aandacht besteed aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk toegankelijk Regionaal Innovatiesysteem te creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus van het WTIE-beleid. VLAIO speelt hierin een centrale rol, o.a. via de Vlaamse innovatiecentra.
  3. Een Vlaams WTIE-beleid kan onmogelijk plaatsvinden in een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese Kaderprogramma’s en sinds een aantal jaar ook bij de ERC-grants (naast de veelheid en diversiteit aan andere EU-initiatieven), evenals bij de verschillende acties en programma’s van de Belgische federale overheid, zijn en blijven continue aandachtspunten. Vlaanderen presteert de laatste jaren zeker meer dan behoorlijk in deze Europese arena van hoge kwaliteit en sterke competitie. Het Horizon2020 kader, met zijn toename van beschikbare middelen tot 2020, biedt een uitstekende kans om de reeds sterke positie van Vlaanderen in Europa verder uit te bouwen en aldus nog te versterken.
  4. De positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft qua WTIE-prestaties, is mede het gevolg van de significante en eveneens toegenomen bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector in het Vlaams WTIE-systeem kan absoluut niet worden onderschat. Innovatie is en blijft immers in eerste instantie een zaak van het bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die creativiteit en kennis transformeren tot marktresultaten en daarbij waarde creëren. De recente O&O-enquêtes tonen op overtuigende wijze aan dat het Vlaamse bedrijfsleven zijn uitgaven voor O&O-activiteiten de laatste jaren fors heeft opgedreven (tot 1,9% van het Vlaamse BBP). En, daarbij gaat het niet enkel om inspanningen die geleverd worden door “grote” bedrijven of door multinationale spelers. Ook het Vlaamse KMO-weefsel heeft de laatste jaren zijn inspanningen voor O&O en innovatie beduidend zien toenemen. Gelet op de structuur en textuur van het Vlaams bedrijfsweefsel is dit een welkome en heel positieve evolutie.
  5. De Vlaamse overheid heeft de laatste jaren expliciet aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit en diversiteit in de onderzoekspopulatie. Zo zijn er maatregelen genomen om beloftevolle, zeer performante onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen te halen (i.e. het Odysseus programma) en om excellente onderzoekers voldoende financiële armslag te geven voor continuïteit in hun onderzoek (i.e. het Methusalem programma). Ook de mobiliteit tussen de Vlaamse universiteiten en kenniscentra enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds wordt structureel aangemoedigd via het Baekeland programma van VLAIO. Naar de toekomst toe zal deze mobiliteit, zowel intersectorieel als internationaal, alleen maar toenemen. Vlaanderen is ervoor gewapend en kan dus verder bouwen op het aanwezige elan.
  6. De omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen ter ondersteuning van de groei van ondernemingen. De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige financiële hefbomen te creëren.
  7. Naast subsidiemaatregelen, is er de laatste vijftien jaar ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli voor onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven, meer dan gewone vermelding. Het is een maatregel met een significante financiële impact voor alle betrokken actoren. Bovendien is de maatregel ook beleidsmatig heel toekomstgericht omdat hij aantoont dat de stimulering van onderzoek en innovatie best bestaat uit een mix van (meer generieke) fiscale stimuli en meer specifieke, gerichte subsidiestimuli. Met andere woorden, de innovatie “policy mix” verandert hierdoor vrij ingrijpend. In die context is het, naar het bedrijfsleven toe, eveneens relevant om te verwijzen naar de fiscaal stimulerende behandeling van de ontwikkeling voor economisch gebruik van octrooien, kwekersrechten en software.
  8. De Vlaamse overheid heeft ook oog voor innovatieve beleidsinstrumenten ter stimulering van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de  maatregelen die genomen worden om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier, door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatiegedrag van de Vlaamse ondernemingen verder te stimuleren. Zo’n aanpak kan op haar beurt ingebed worden in maatregelen van innovatief aanbesteden die zich op Europees niveau ontwikkelen. Het is daarom belangrijk dat deze aanbestedingshefboom, na enkele jaren van experimenteren, nu voluit en met succes op de agenda komt.
  9. Meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij de regionalisering steeds oog gehad voor het opdrijven van de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze werd sindsdien continu en op significante wijze verdergezet en geactualiseerd conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Gelet op deze inhaalbeweging, en derhalve de aanzienlijke middelen die de Vlaamse overheid inzet voor innovatie en economische ontwikkeling, besteedt ze de laatste jaren expliciet alsmaar meer aandacht aan het op een valide en transparante wijze in kaart brengen van de resultaten van deze investeringen en inspanningen. Deze volgehouden resultaatsgerichtheid kan de effectiviteit van het WTIE-beleid in de toekomst enkel ten goede komen.

Conclusie: een WTIE-beleid op weg naar slimme innovatie

Slimme specialisatie moet in de toekomst leiden tot slim innoveren. Slimme specialisatie is het nieuw economisch concept dat opportuniteiten creëert om de regionale economische groei en werkgelegenheid te versterken via verbeteringen aan de analyse- en selectiemethodes die gebruikt worden om innovatieve bedrijfsontwikkelingen te ondersteunen. Het is geen planningsdoctrine waarbij een regio zich in een bepaalde industrie of sector moet specialiseren. Integendeel, het is een recept voor een innovatiegedreven, economisch beleid waarbij het ondernemend gedrag van bedrijven en onderzoeksinstellingen centraal staat.

Slimme specialisatie zoekt daartoe naar betrouwbare en transparante instrumenten om de economische activiteiten, bijvoorbeeld op een regionaal niveau, te identificeren die al sterk innovatiegedreven zijn en/of die baat hebben bij een verdere versterking van het O&O- en innovatieweefsel. Dus, veeleer dan een methode om uit te maken of een hypothetische regio een ‘sterkte’ heeft in bepaalde activiteiten, gaat het om de cruciale vraag of die regio baat zou hebben bij en zich zou moeten specialiseren in O&O en innovatie voor die specifieke activiteiten. Dit betekent dat slimme specialisatie zich richt op de ontbrekende of zwakke schakels tussen enerzijds de O&O- en innovatiemiddelen en -activiteiten van een land of regio en anderzijds de sectorgebaseerde structuur van de economie. Kortom, slimme specialisatie stimuleert een intelligent samenspel tussen het beleid op vlak van wetenschap (W), technologie (T), innovatie (I) en economie (E).

De belangrijkste grondgedachte bij slimme specialisatie is de beleidsmakers een methode aan te reiken om een geloofwaardig innovatie- en industrieel beleid uit te bouwen en hiermee een positief antwoord te bieden op de problemen van regio’s die zich op middellange en lange termijn in hun groei en werkgelegenheid bedreigd weten. De slimme specialisatie aanpak is daarbij ook begaan met op vlak van innovatie minder gevorderde regio’s. Een ommekeer van regionale innovatietekorten in die regio’s is niet alleen op lokaal vlak gewenst, doch zal ook tot meer efficiëntie leiden bij de toewijzing van middelen op systeemniveau (zowel op het niveau van de lidstaat als op niveau van de EU). Daarom juist zijn er verschillende types slimme specialisatiestrategieën nodig, zoals strategieën voor modernisering, diversificatie, transformatie en radicale vernieuwing. 

Om die slimme specialisatie doelgericht te voeden is het nodig om enerzijds op regelmatige basis vooruit te kijken naar wat de grote trends zijn die maatschappelijk-economisch op ons afkomen (de zogenaamde verkenningsstudies) en anderzijds (grensoverschrijdende) clustervorming rond bepaalde toekomstgerichte economische activiteiten actief te stimuleren en te ondersteunen. Beide voedingsbronnen zijn in Vlaanderen aanwezig. Enerzijds zijn er de analyses die de VRWI en haar opvolger VARIO op regelmatige basis uitvoert en die valabele input leveren tot het innovatiebeleid.  Anderzijds zijn er de belangrijke clusters die zich in Vlaanderen reeds sinds eind de jaren ‘90  ontwikkeld hebben, maar uiteraard continu verjongen, vernieuwen en aangevuld worden met nieuwe clusters.

Vlaanderen beschikt dus over vele en sterke troeven. Vlaanderen beschikt over veel talent. Daarom is het ook belangrijk het ondernemerschap te koesteren, bij onze bedrijven en kennisinstellingen, dat die veelheid aan talent en innovatie transformeert tot een gestadige en gezonde groei van de Vlaamse economie. Om op die manier de welvaart te creëren die Vlaanderen verder transformeert tot een toekomstgerichte samenleving, steeds met de blik gericht op Europa en de wereld.