Onderstaande printversie van het indicatorenboek werd door uw browser gegenereerd, en zal niet steeds optimaal ogen. Via de ingebouwde printfunctie op de website van het Indicatorenboek (ronde knop rechts bovenaan) kan u een printvriendelijke PDF genereren met mooi ogende lay-out.
4.4.7Statistieken aansluitend bij het Regional Innovation Scoreboard
Vanuit het besef dat innovatie en economische groei niet altijd gelijkmatig verspreid zijn over de diverse regio’s van een land, publiceert Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Commissie, niet alleen innovatiestatistieken voor haar lidstaten (European Innovation Scoreboard, EIS), maar ook voor diverse regio’s binnen die lidstaten (Regional Innovation Scoreboard, RIS). Voor België bevat het regionale verslag innovatiestatistieken voor de drie gewesten: Brussel, Vlaanderen, en Wallonië.
In 2025 werd de Regional Innovation Index (RII) in RIS samengesteld op basis van 23 indicatoren. Zeven van deze indicatoren zijn afgeleid uit data afkomstig van de Innovatievragenlijst (CIS). Hieronder bespreken wij de resultaten voor Vlaanderen voor drie van deze indicatoren, bekomen op basis van de Innovatievragenlijst 2023. Wij bespreken ook de resultaten van een vierde indicator die eveneens gebaseerd is op resultaten bekomen met de Innovatievragenlijst 2023 en die dichtbij een indicator liggen die opgenomen is in RIS. Wij geven aan waarom wij kozen voor dit vierde resultaat.
Niet-O&O-actieve KMO's met innovatieactiviteiten
Eén van de indicatoren opgenomen in RIS betreft de uitgaven gemaakt voor innovatieactiviteiten, uitgezonderd O&O, door KMO’s, uitgezet als percentage ten opzichte van de omzet van KMO’s in het algemeen (zowel innovatoren als niet-innovatoren). Uit ervaring weten wij echter dat de meeste ondernemingen in hun administratie geen aparte cijfers bijhouden voor aankopen, uitgaven, en inkomsten van innovaties. Bijgevolg laten heel wat ondernemingen de vragen naar kosten gemaakt voor machines en apparatuur, aankoop van patenten, training, marketing, en andere voorbereidende activiteiten voor innovaties oningevuld (onegveer één op vier van de antwoordende ondernemingen laat één of meer vragen naar uitgaven voor innovatieactiviteiten open) of geven ze ruwe schattingen, die nogal kunnen variëren naargelang wie de vragenlijst invult. In het verleden heeft men in een werkgroep bij Eurostat al vaker geprobeerd om de vraag naar gemaakte onkosten voor innovatieactiviteiten te verbeteren. Tot op heden zijn deze pogingen evenwel niet succesvol gebleken.
Wegens de beperkte kwaliteit van de uitgavengegevens geven wij hier weer in welke mate KMO’s al dan niet voltooide product- of (bedrijfs)procesinnovaties hebben, en in welke mate deze vergezeld gaan van O&O-activiteiten. Figuur 15 geeft aan wat in de laatste vijf jaargangen van de innovatievragenlijst (1) het aandeel O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- of (bedrijfs)procesinnovaties was, (2) het aandeel niet-O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- of (bedrijfs)procesinnovaties was, en (3) het aandeel KMO’s zonder product- of (bedrijfs)procesinnovatieactiviteiten (en dus ook zonder O&O) was. Wij zien dat gaande van de periode 2012-2014 naar de periode 2020-2022, het aandeel KMO’s met al dan niet voltooide product- of (bedrijfs)procesinnovaties stijgt, zowel zij die dat deden met O&O-activiteiten, als zij die dat deden zonder O&O-activiteiten. Het aandeel O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- of procesinnovaties stijgt van 35% in de periode 2012-2014 tot 37% in 2014-2016, en daalt dan licht tot 31% in de periode 2016-2018. In de periode 2018-2020 stijgt het aandeel weer tot 39%. In de periode 2020-2022 blijft het aandeel 39%. Het aandeel niet-O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- of (bedrijfs)procesinnovaties gaat van 21% in 2012-2014, over 24% in 2014-2016, naar 38% in de periode 2016-2018. In de periode 2018-2020 daalt het aandeel opnieuw licht naar 35%. In de periode 2020-2022 bedraagt het aandeel 34%. Het aandeel KMO’s zonder product- of (bedrijfs)procesinnovatieactiviteiten (en dus ook zonder O&O) daalt van 44% in 2012-2014, over 39% in 2014-2016, en 31% in 2016-2018, naar 26% in de periode 2018-2020 en 27% in de periode 2020-2022.
Voor deze indicator kunnen wij helaas niet vergelijken met andere regio’s, gezien Eurostat hiervoor geen gegevens publiceert. Bij deze resultaten dient evenwel opgemerkt te worden dat in CIS2019, die de periode 2016-2018 bevroeg, de bedrijfsprocesinnovatieactiviteiten die in aanmerking genomen werden, ruimer gedefinieerd waren dan in de voorgaande jaren. In CIS2019 omvatten de bedrijfsprocesinnovatieactiviteiten ook organisatorische en marketinginnovatie, terwijl in de voorgaande jaargangen organisatorische innovatie en marketinginnovatie buiten beschouwing werden gelaten. Het verschil tussen de twee verklaart allicht ook waarom het aandeel niet-O&O-actieve KMO’s met al dan niet voltooide product- of bedrijfsprocesinnovaties groter is vanaf de periode 2016-2018 dan in voorgaande jaren. Voor de periode 2016-2018 werden immers ook niet-technologische innovatieactiviteiten zoals organisatorische innovatie en marketinginnovatie mee in aanmerking genomen en daar hoeven allicht niet altijd O&O-activiteiten voor te gebeuren.
Figuur 15. Aanwezigheid van product- of (bedrijfs)procesinnovatieactiviteiten, met of zonder O&O, bij KMO’s
* Vanaf de periode 2016-2018 werden naast productinnovatie ook de breder gedefinieerde bedrijfsprocesinnovatieactiviteiten in aanmerking genomen. Deze omvatten ook de vroegere organisatorische organisatorische en marketinginnovaties. In de cijfers voor vroegere jaargangen werden naast productinnovatie nauwer gedefinieerde procesinnovaties in aanmerking genomen. Organisatorische en marketinginnovaties werden daarbij buiten beschouwing gelaten.
KMO's met productinnovaties
Een andere indicator betreft het aandeel KMO’s dat productinnovaties heeft geïntroduceerd. In de periode 2020-2022 ging het om 36% van alle KMO’s. (Om de vergelijkbaarheid van de gegevens te garanderen is dit cijfer berekend op het niveau van de enterprise. Zie Hoofdstuk 4.1.1 voor meer informatie.) Daarmee behoort Vlaanderen tot de middle high performers (zie Figuur 16, overgenomen uit RIS 2025), en wordt Vlaanderen als 28ste regio in de EU gerangschikt. In de periodes 2012-2014, 2014-2016, 2016-2018, en 2018-2020 ging het om respectievelijk 33%, 32%, 28%, en 36% van alle KMO’s.
Figuur 16. KMO’s met productinnovaties als percentage van het totale aantal KMO’s
KMO's met bedrijfsprocesinnovaties
RIS 2025 bevat eveneens een indicator voor het aandeel KMO’s met bedrijfsprocesinnovaties. In de periode 2020-2022 bedraagt dat aandeel 66% in Vlaanderen. (Om de vergelijkbaarheid van de gegevens te garanderen is dit cijfer berekend op het niveau van de enterprise. Zie Hoofdstuk 4.1.1 voor meer informatie.) Vlaanderen behoort daarmee tot de top van de high performers binnen Europa (zie Figuur 17, overgenomen uit RIS 2025), en wordt als 5de regio in de EU gerangschikt.
Figuur 17. KMO’s met bedrijfsprocesinnovaties als percentage van het totale aantal KMO’s
KMO's met samenwerkingsverbanden voor innovatie
Een andere indicator opgenomen in RIS betreft het aandeel KMO’s met samenwerkingsverbanden voor innovatie in de totale populatie van KMO’s (zowel innovatoren als niet-innovatoren). In Vlaanderen is dit aandeel in de periode 2020-2022 28%. (Om de vergelijkbaarheid van de gegevens te garanderen is dit cijfer berekend op het niveau van de enterprise. Zie Hoofdstuk 4.1.1 voor meer informatie.) In Figuur 18, overgenomen uit RIS 2025, zien wij dat Vlaanderen daarmee in de groep van de top high performers zit, het bovenste segment van de hoogste groep. Daarmee wordt Vlaanderen voor deze indicator als 13de meest performante regio in de EU gerangschikt. In de periodes 2014-2016, 2012-2014, 2016-2018, en 2018-2020 was dit aandeel respectievelijk 24%, 31%, 27%, en 24% waarmee Vlaanderen eveneens terecht kwam in het bovenste segment van de high performers.
Figuur 18. KMO’s met samenwerkingsverbanden voor innovatie als percentage van het totale aantal KMO’s