Onderstaande printversie van het indicatorenboek werd door uw browser gegenereerd, en zal niet steeds optimaal ogen. Via de ingebouwde printfunctie op de website van het Indicatorenboek (ronde knop rechts bovenaan) kan u een printvriendelijke PDF genereren met mooi ogende lay-out.
5.3.2Resultaten
De belangrijkste resultaten van dit hoofdstuk zijn:
1. Een update van beleidsrapport STORE-23-027 op basis van de meest recente Eurostat data zodoende een monitoring te voorzien van de Vlaamse economie en zijn sectoren binnen internationaal perspectief. Het Vlaams Gewest blijft één van de meest performante regio’s (zie Figuur 1). Qua groei (en dan vooral qua groei arbeidsproductiviteit) bevindt het Vlaams Gewest zich niet meer achteraan, maar eerder in het midden (zie Figuur 2).
Figuur 1. Arbeidsproductiviteit (TW per uur, in 2021)
Figuur 2. Groei arbeidsproductiviteit (TW per uur, groei 2017-2021)
2. Het Vlaamse Gewest bevindt zich in de subtop van de EU qua arbeidsproductiviteit. Vergeleken met de set van de hoog presterende benchmarkregio’s bevindt zowel het niveau (zie Figuur 3) van de Vlaamse arbeidsproductiviteit als de groei (zie Figuur 4) ervan zich in het midden van de groep.
Figuur 3. Arbeidsproductiviteit (TW per uur, in 2021)
Figuur 4. Groei arbeidsproductiviteit (TW per uur, groei 2017-2021)
3. In termen van toegevoegde waarde zijn Handel; Transport & opslag; Horeca (19%), Overheid; Onderwijs; Zorg en welzijn (17%), Zakelijke diensten (17%), Industrie (17%) en Onroerend goed (10%) de meest dominante sectoren. De sterkste groeiers zijn Informatie & Communicatie; Delfstoffen, Energie, water en afval; Zakelijke diensten en Onroerend goed. In termen van tewerkstelling zijn Zakelijke diensten (24%); Overheid; Onderwijs; Zorg en Welzijn (23%); Handel; Transport & Opslag; Horeca (21%) en Industrie (12%) de grootste sectoren. De sterkste groeiers zijn Informatie & communicatie; Bouw; en Delfstoffen, energie, water en afval.
4. De shift-share analyse bestudeert het verschil tussen het werkelijke Vlaamse BBP en het hypothetische Vlaamse BBP indien de Vlaamse economie eenzelfde productiviteitsgroei door zou maken als de benchmarkeconomie. Dit toont aan dat het werkelijke Vlaamse BBP €2.3 miljard (1.03%) hoger is i.v.m. wanneer de Vlaamse economie de Europese productiviteitsstijgingen had gevolgd. We doen het ook beter dan de set van innovatie landen en de set van innovatieve regio’s. Het standaard- of totaaleffect bestaat uit twee componenten (een structureel en een dynamisch effect), en wordt hoofdzakelijk gedreven door de dynamische component. Deze term is positief indien de arbeidsproductiviteit in de Vlaamse sector meer gestegen is dan de arbeidsproductiviteit van diezelfde sector in de benchmarkgroep. Ten opzichte van de EU27 is het Vlaamse Gewest minder actief in sectoren die een bovengemiddelde internationale productiviteitsstijging kennen, zoals aangegeven door een negatieve structurele term.
5. I.v.m. de benchmarkeconomieën is Vlaanderen meer gespecialiseerd (d.i. een relatief groter marktaandeel in deze sector ten opzichte van de benchmarkeconomie) in Zakelijke diensten en de Bouw. Internationaal gezien is Informatie & Communicatie de grootste groeisector (zie Figuur 5).
Figuur 5. Internationale groeisectoren en specialisatie-index
6. Vlaanderen bevindt zich zowel qua O&O-intensiteit als de toename van deze O&O-intensiteit aan de top van de EU (zie Figuren 6 en 7). In 2021 bedraagt de Vlaamse O&O-intensiteit (3.65%) opnieuw meer dan de vooropgestelde Europese norm van 3%. Het doel van toegenomen O&O-uitgaven is om de hoge arbeidsproductiviteit verder te doen toenemen. Ondanks de beperkte arbeidsproductiviteitsgroei, vinden Bormans, Czarnitzki & Konings (2021) wel evidentie dat Vlaamse O&O-subsidies leiden tot positieve input- en outputadditionaliteit.
Figuur 6. Arbeidsproductiviteit versus O&O-intensiteit
Figuur 7. Groei arbeidsproductiviteit versus groei O&O-intensiteit
7. Bovenstaande resultaten dienen gekaderd te worden binnen de context van de COVID-19 pandemie, en zijn dus een mix van zowel evoluties op middellange termijn als het effect van bovenstaande crisis. Concreet is het dus niet eenduidig om goede (minder goede) prestaties toe te wijzen aan een goede (minder goede) economische prestatie dan wel aan het herstel na de COVID-19 uitbraak.