Onderstaande printversie van het indicatorenboek werd door uw browser gegenereerd, en zal niet steeds optimaal ogen. Via de ingebouwde printfunctie op de website van het Indicatorenboek (ronde knop rechts bovenaan) kan u een printvriendelijke PDF genereren met mooi ogende lay-out.
5.4.2Resultaten
Vlaanderen telt volgens de toegepaste methodologie 7.288 ondernemingen onder buitenlands zeggenschap, wat overeenstemt met minder dan 1% van de Vlaamse ondernemingen. In wat volgt, zal gekeken worden naar de macro-economische impact van deze ondernemingen wat betreft bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid, zie Figuur 1.
De 7.288 opgenomen ondernemingen onder buitenlands zeggenschap stelden in 2023 samen 459.394 werknemers te werk. Hiermee vertegenwoordigen ze 22,4% van alle werkzame personen binnen de niet-financiële marktgerichte (Vlaamse) economie of 29% van het aantal werknemers.
In termen van Bruto Toegevoegde Waarde vertegenwoordigden deze bedrijven in 2023 ongeveer 29,74% van het Vlaamse totaal binnen de niet-financiële marktgerichte economie wat overéénstemt met 72,7 miljard euro.
Bovenstaande cijfers maken duidelijk dat buitenlandse ondernemingen, hoewel ze minder dan 1% van het totaal uitmaken, een substantiële rol spelen in de Vlaamse economie. Hun disproportioneel hoge bijdrage aan toegevoegde waarde en werkgelegenheid weerspiegelt de aantrekkingskracht van Vlaanderen als vestigingsplaats voor buitenlandse investeringen. Deze aanwezigheid bevestigt het concurrentievermogen van de regio, maar brengt tegelijk met zich mee dat cruciale beslissingen over investeringen, innovatie en productie in belangrijke mate buiten Vlaanderen worden genomen. Dit is een structureel gegeven dat mee in rekening moet worden gebracht bij het formuleren van economisch beleid, zeker in het licht van strategische autonomie en lange termijn weerbaarheid.
Figuur 1. Belang buitenlands zeggenschap in de Vlaamse economie
Het buitenlands zeggenschap in de Vlaamse economie is afkomstig uit 124 verschillende landen, zie Figuur 2, wanneer we inzoomen op de herkomst van het buitenlands zeggenschap, kunnen we concluderen dat een beperkt aantal landen verantwoordelijk is voor een groot deel van de Vlaamse ondernemingen onder buitenlandszeggenschap. Nederland is daarbij de absolute koploper met meer dan 1.500 ondernemingen actief in Vlaanderen, gevolgd door de Verenigde Staten (883), Frankrijk (652) en Duitsland (617). Ook het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg, Japan en Zwitserland hebben een sterke vertegenwoordiging. Deze landen behoren tot de traditionele economische partners van Vlaanderen en bevestigen de sterke aanwezigheid binnen het bredere Europese en trans-Atlantische economische netwerk.
Figuur 2. Aantal bedrijven onder buitenlands zeggenschap naar land van oorsprong
Ook op vlak van werkgelegenheid is het beeld sterk geconcentreerd, zie Figuur 3. De meeste VTE's (voltijdsequivalenten) in ondernemingen onder buitenlands zeggenschap zijn verbonden aan bedrijven uit Nederland, de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland. Samen vertegenwoordigen deze vier landen ruim de helft van de werkgelegenheid die voortkomt uit buitenlands gecontroleerde ondernemingen in Vlaanderen. Japan, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg volgen, elk met tienduizenden werknemers. Deze landen huisvesten in Vlaanderen vaak grote industriële of logistieke vestigingen met hoge werkgelegenheidsimpact, wat hun structurele belang voor de Vlaamse arbeidsmarkt onderstreept.
Figuur 3. Aantal werknemers onder buitenlands zeggenschap naar land van oorsprong
Wanneer we de bijdrage aan de bruto toegevoegde waarde bekijken, komt een grotendeels gelijkaardig landenprofiel naar voren als bij het aantal ondernemingen, zij het met enkele opvallende nuances, zie Figuur 4. De Verenigde Staten nemen duidelijk de koppositie in met een geschatte toegevoegde waarde van ruim 19 miljard euro, gevolgd door Frankrijk en Nederland. Duitsland, Japan en het Verenigd Koninkrijk vervolledigen de top 6. Samen zijn deze zes landen goed voor het merendeel van de toegevoegde waarde afkomstig van ondernemingen onder buitenlands zeggenschap.
Ook landen als Luxemburg, Zwitserland en Zweden hebben een aanzienlijke economische voetafdruk in Vlaanderen, ondanks hun relatief beperkte aantal ondernemingen. Opvallend in de top 10 is de aanwezigheid van Bermuda; een klassiek belastingparadijs.
Figuur 4. Bruto toegevoegde waarde onder buitenlands zeggenschap naar land van oorsprong
Een sectorale analyse toont dat buitenlandse controle sterk verschilt tussen economische activiteiten. Niet elke sector kent een even grote buitenlandse aanwezigheid, en de mate van zeggenschap verschilt duidelijk tussen toegevoegde waarde en werkgelegenheid. De indeling hieronder volgt de A38-classificatie van de NACE.
Een eerste opvallende bevinding in Figuur 5 is de zeer hoge mate van buitenlands zeggenschap in specifieke industriële sectoren. De aardolie-industrie (CD), farmaceutische sector (CF) en het wetenschappelijk onderzoek (MB) vallen op met een aandeel van 100% of bijna 100% in toegevoegde waarde én werkgelegenheid. In de praktijk betekent dit dat deze sectoren quasi volledig worden gedragen door multinationale ondernemingen met zetels buiten België. Ook de chemische industrie (CE), informatica/elektronica (CI), telecommunicatie (JB) en transportmiddelen (CL) vertonen zeer hoge percentages, doorgaans boven de 70%, zowel in termen van toegevoegde waarde als VTE.
Daarnaast zijn er sectoren die, hoewel iets minder uitgesproken, toch structureel sterk onder buitenlands zeggenschap staan. Het gaat onder meer om rubber- en kunststofproductie (CG), machinebouw (CK), elektriciteitsproductie (DD), of de hout- en papierverwerking (CC). Deze sectoren combineren een buitenlandse aanwezigheid van 30 à 60%, wat nog steeds aanzienlijk is, zeker gezien hun rol in strategische waardeketens en industriële infrastructuur.
In de dienstensector is het beeld gemengder. Bepaalde kennisintensieve diensten, zoals telecommunicatie, ICT-diensten (JC) en wetenschappelijke activiteiten (MC), kennen een relatief hoge buitenlandse betrokkenheid. Andere diensten zoals vastgoed (LL), horeca (II), en administratieve ondersteuning (NN) blijven duidelijk meer lokaal verankerd, met lagere percentages buitenlands zeggenschap.
Figuur 5. Aandeel buitenlands zeggenschap naar sector
Voor een beter inzicht in de aard van het buitenlands zeggenschap, kan ook gekeken worden naar de technologische intensiteit van de betrokken sectoren in Figuur 6. Eurostat deelt sectoren op het niveau van NACE 2-digit in volgens hun technologie- of kennisniveau. Binnen de industrie wordt zo onderscheid gemaakt tussen hightech, medium-hightech, medium-lowtech en lowtech sectoren. De dienstensector wordt onderverdeeld in kennisintensieve diensten (KIS) en minder kennisintensieve diensten (LKIS).
Bovenstaande cijfers tonen dat het buitenlands zeggenschap in Vlaanderen zich vooral concentreert in technologisch meer geavanceerde industrietakken. In de hightechindustrie is bijna de volledige toegevoegde waarde (92%) en een zeer groot deel van de werkgelegenheid (87%) in handen van buitenlandse ondernemingen. Ook in de medium-hightech en medium-lowtech industrieën is het aandeel buitenlands zeggenschap hoog, met respectievelijk 72% en 73% in termen van toegevoegde waarde. De werkgelegenheidsimpact volgt dit patroon, zij het iets minder uitgesproken. In de lowtech-industrie zakt het aandeel onder buitenlandse controle tot 34% van de toegevoegde waarde en 24% van de werkgelegenheid. Dit wijst op een grotere lokale verankering in deze sectoren.
Bij de diensten zien we een ander beeld: zowel in kennisintensieve (KIS) als minder kennisintensieve diensten (LKIS) blijft het buitenlands zeggenschap relatief beperkt, met aandelen onder de 25%. Dit suggereert dat buitenlandse ondernemingen zich vooral richten op industriële activiteiten met hoge technologische intensiteit, terwijl de Vlaamse dienstensector in grotere mate door binnenlandse spelers wordt gedragen.
Figuur 6. Aandeel buitenlands zeggenschap naar technologieclassificatie
Naast de analyse op landniveau is het zinvol om het buitenlands zeggenschap ook te groeperen volgens internationale samenwerkingsverbanden en economische blokken. In wat volgt wordt de verdeling weergegeven van het aantal ondernemingen, de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde onder buitenlands zeggenschap, opgesplitst naar EU27- en niet-EU27-landen enerzijds, en naar OESO- en niet-OESO-landen anderzijds. Deze indeling laat toe om na te gaan in welke mate het Vlaamse economische weefsel verbonden is met het Europese kader, en in welke mate het ook afhankelijk is van bredere multilaterale of bilaterale relaties buiten dat kader.
De uitsplitsing tussen EU27- en niet-EU27-landen in Figuur 7 toont aan dat het buitenlands zeggenschap in Vlaanderen in belangrijke mate binnen het Europese kader blijft: 56,85% van de ondernemingen onder buitenlands zeggenschap heeft een moedermaatschappij binnen de EU27. Deze Europese bedrijven zijn ook goed voor 59,16% van de werkgelegenheid die voortvloeit uit buitenlandse controle, wat wijst op een relatief sterke verankering in termen van tewerkstelling.
Toch leveren de niet-EU27-landen een grotere bijdrage aan de bruto toegevoegde waarde: met slechts 43,15% van de ondernemingen genereren zij 51,59% van de BTW. Dit verschil suggereert dat ondernemingen met zeggenschap buiten de EU gemiddeld genomen economisch zwaarder doorwegen. Het gaat vaak om kapitaalintensievere of meer productieve entiteiten, bijvoorbeeld Amerikaanse, Japanse of Zwitserse multinationals met een sterke aanwezigheid in sectoren als chemie, farma of logistiek.
De combinatie van een hogere werkgelegenheidsbijdrage uit EU27-landen en een hogere toegevoegde waarde uit niet-EU27-landen onderstreept de dubbele oriëntatie van de Vlaamse economie: stevig ingebed in de Europese interne markt, maar met een duidelijke mondiale dimensie in strategische sectoren. Voor het beleid betekent dit dat zowel intra-Europese economische integratie als bredere handels- en investeringsrelaties buiten de EU van belang blijven in het kader van economische weerbaarheid en strategische positionering.
De verdeling naar OESO- en niet-OESO-landen in Figuur 8 maakt duidelijk dat het buitenlands zeggenschap in Vlaanderen in hoofdzaak afkomstig is uit landen die deel uitmaken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). OESO-landen zijn goed voor bijna 83% van de ondernemingen onder buitenlands zeggenschap, maar wegen nog zwaarder door in termen van economische impact: zij genereren 92,9% van de toegevoegde waarde en 93,83% van de werkgelegenheid binnen deze groep bedrijven.
De ondernemingen met zeggenschap in niet-OESO-landen vertegenwoordigen daarentegen slechts 7,1% van de toegevoegde waarde en 6,17% van de werkgelegenheid, ondanks hun 17% aandeel in het aantal bedrijven. Deze cijfers bevestigen dat de Vlaamse economie vooral sterk vervlochten is met de gevestigde industrielanden van de OESO – wat economische stabiliteit en vergelijkbare regelgevingskaders met zich meebrengt, maar tegelijk ook wijst op een beperkte integratie met de bredere wereldwijde groeimarkten.